6: Motorbendelid, die zijn overleden vriend Jojo ontmoet.

E = Entiteit

C: Goedenavond. Wie bent u?
E: (lacht) Stelletje lamzakken.
C: Goedenavond.
E: Stomme trut.
C: Wie bent u? Waar komt u vandaan?
E: Gaat je geen donder aan. Kijk maar uit. Ik pak je. Stelletje schijtlijsters.
C: Wilt u uw naam niet zeggen?
E: Ik kan jullie allemaal aan hoor. Stuk voor stuk.
S: Voel je je zo bedreigd?
E: Wie denken jullie wel dat je bent? Ha, ik kan jullie aan. Ha.
M: Dus je bent behoorlijk sterk?
E: Pas maar op. Pas maar op.
M: Zoveel mensen om je heen?
E: Ik sla je finaal tot moes als je niet uitkijkt.
M: Hoe kom je zo sterk?
E: Kom maar op. Jullie durven niet. Ha, ha (klauwt).
M: Hoe kom je zo sterk? Waar heb je dat geleerd?
E: Schijtlijsters. Schijtlijsters.
W: Wat kom je bij ons doen? Wie ben jij?
E: (aapt na) Wie ben jij. Wie ben jij.
S: Je durft je naam niet eens te zeggen.
E: Gaat je geen moer an.
S: Dan ben jij een schijtlijster. Niet wij.
E: Moet ik weten. Je hebt niks over mij te zeggen. Maak ik zelf wel uit.
S: Nee, jij ook niet over ons.
E: Pas op hè. Pas op.
S: Wij zijn helemaal niet bang voor jou.
E: Ha, ha, ha, ha, ha.
W: Jij komt bij ons omdat jij bang bent.
E: Helemaal niet joh. Ben van me leven nooit voor iemand bang geweest toevallig.
S: Je durft niet eens je naam te zeggen.
E: Nou, moet ik toch weten. Of niet soms.
S: Ik vind het wel laf hoor.
E: Nou en. Moet ik toch weten.
W: Natuurlijk. Welkom in onze sfeer.
E: Sfeer! ggg (keelgeluid). Man praat gewoon. Spreek je moerstaal. Doe ik toch ook.
C: Waar zou jij dan over willen praten?
E: Weet ik het. Stelletje truttebollen. Moet je dat nou zien zitten. De kaarsies an. Kaarsies an. Kaarsies an.
C: Gezellig toch?
E: Schei toch uit.
W: Herken je iets van vroeger erin?
E: Wat heb je nou an kaarsies?
W: Heb je nooit licht gezien in je leven? Is het altijd donker geweest om je heen?
E: Nee.
W: Oh, dus je herkent het wel.
E: Volgens mij heb ik iets zo verschrikkelijk verrot geslagen en gemept dat al het licht tegelijk uitgegaan is. Want het is me toch een partij donker hier. Niet te geloven. Maar ik ben d’r niet bang voor hoor. Ik vind me weg (geheven vuisten). En als ze bij me kommen. Waps. Waps (maakt vechtbeweging).
C: Kom je dan wel eens iemand tegen?
E: Oh, jawel hoor. Ik mep ze van me af.
W: En wat voor mensen kom je dan tegen?
E: Weet ik dat. Ga ik toch niet vragen!
W: Ga je gelijk meppen?
E: Tuurlijk! Als ik het niet vraag, dan meppen ze mij.
W: Oh, dus dat zijn die mensen die je tegenkomt? En bevalt je dat goed?
E: Nou. Je mot. Ik ben d’r niet bang voor hoor. Ik mep ze.
W: Je bent heel sterk hè? Ja, je bent heel sterk.
E: ‘k kan ze allemaal an.
W: Alleen wel in een sfeer waar dat thuishoort.
E: Hè, man, wat klets je nou man? (bouwt na) Alleen wel in een sfeer waar dat thuishoort! Man praat gewoon. Waar heb je het over?
W: Over jou.
E: Nee, je hebt het over een sfeer.
W: Waar jij vandaan komt.
E: (keelgeluid) Een sfeer!
C: Daar waar jij nu zit, waar jij vandaan komt.
E: Nou, en dan. Een sfeer. Kan je ‘t eten? Kan je ‘t drinken? Wat doe ‘k ermee?
C: De omgeving waar je bent, is dat denk ik. Alles alleen maar donker.
E: (smalend) De sfeer.
W: Ik zou me daar niet zo thuis voelen.
E: Ja, maar jij bent mij niet hè?
W: Nee.
E: ‘k ben d’r heus niet bang voor hoor.
W: Nee.
C: Hoe kom je daar zo terecht?
E: Weet ik dat?
C: Wat is er aan vooraf gegaan? Waardoor ging opeens al dat licht uit?
E: Ik weet het niet mens. Ik was aan het eh, knokken. Ik sla die vent, watsj! Zo knal, in z’n smoel. ‘k Denk zo joh jou heb ik te pakken. En toen ging het licht uit.
W: Dus hij had jou te pakken?
E: Nee, het licht ging uit. Ik kon hem niet meer zien. Ik kon hem niet meer vinden zelfs en ik sloeg d’r nog op.
W: Maar je raakte hem niet.
E: Zou die m’n ogen geraakt hebben? Zou dat kunnen? Dat ik ineens blind ben of zo? Hoe kan dat nou?
W: Hij heeft je het leven uitgeslagen.
E: Het leven uitgeslagen?
W: Je bent het leven uitgeslagen, ja.
E: Ha, ha.
W: Dat is een verrassing.  En toen ging het licht uit.
E: Nee, jij bent zeker de leukste thuis.
W: Ik doe m’n best.
E: Het is zeker een mop.
W: Ik doe m’n best.
E: Het leven uitgeslagen? Weet je wel waar je het over hebt, man?
W: Ja, over jou.
E: Weet je wel wat dat is als je iemand het leven uitslaat? Dan ben je dood ja!
W: Precies. En dat ben je.
E: Nee. Nee.
W: Ja. Het is jammer, maar het is zo.
E: Nee.
C: Als het niet zo is, wat denk je dan dat er gebeurd is?
E: Ik weet het echt niet hoor.
C: Denk daar eens over na dan.
W: wat jij niet weet, weten wij inmiddels.
E: (bouwt na) Wat jij niet weet, dat weten wij inmiddels. Nah. Nou, vertel, wat weet jij allemaal? Als je zo’n knappe vent bent. Vertel het me dan hè.
W: Vind je me knap?
E: Nou, jij zegt dat je het weet. Dan denk ik dat je knap bent hè?
W: We gaan beginnen. We gaan het erover hebben.  
E: Vertel. Begin.
W: Jij hebt die vent een knal voor z’n bol gegeven. Je vergat dat hij terug sloeg.
E: M’n ogen denk ik hè?
W: Nee. Niet je ogen. Het licht ging uit.
E: Jawel, ik zag niks. Zo donker.
W: Ja, ineens ging het licht uit. En toen was het afgelopen.
E: Zoeken, zoeken, zoeken. Ik kon die vent ook niet meer vinden.
W: Je zal hem ook nooit meer tegen komen.
E: Ik had hem zo graag nog even, patsj.
W: En nu ben je zoekende. En je zoekt, en je zoekt. En je zult het nooit vinden.
E: Ha, wat weet jij daar nou van. Man, je weet niet eens wa’k zoek. Ha, ha, ha. Wat een lul!
M: Weet je zelf wel wat je zoekt?
E: Nou, eigenlijk een beetje eh.
C: Een beetje licht.
E: Poeh, een beetje eh. Gewoon eh. Al is het maar effe eh.
M: Ik begrijp er niets van. Kun je het wat duidelijker zeggen. Ik begrijp het echt niet.
E: Wat begrijp je dan niet.
M: Ik vraag wat je zoekt.
E: Nou, beetje eh..... Ja, beetje m’n maten hè. Pilsie drinken. Lol. Effe knokpartijtje zo onder mekaar. Gezellig. Zo voor de leut hè. Gewoon effe. D’r is nou niemand om tegen te knokken ja. D’r is wel iemand, maar die ken ik niet zien. Meppen....meppen.... meppen, maar dan zie ik ze niet. Vind ik niet leuk. Ik wil graag kunnen zien wie ik mep.
M: Dus je zoekt een beetje gezelligheid met je vrienden.
E: Mwah, mwah.
M: Waar zijn je vrienden gebleven dan?
E: (wijst naar Willem) Hij weet het. Ha.
M: Ik denk dat hij het goed weet ja.
E: Nou, vertel het me maar. Dan ken ik er naar toe.
W: Jouw vrienden zijn in leven. Hoe oud ben jij?
E: Gaat dat jou wat an dan? (bouwt na) Jouw vrienden zijn in leven. Hoe oud ben jij? Vraag ik aan jou toch ook niet man.
W: Oh, je mag vragen hoe oud ik ben.
E: Man, dat wil ik niet eens weten. Dat interesseert me geen moer.
W: Probeer jij iets te bewijzen met dat vechten of zoiets?
E: Nee hoor.
W: Vond je dat je tekort kwam in het leven?
E: (murmelt tussendoor, maakt vechtbewegingen, knijpt in spierballen)
C: Beetje stoer doen.
E: Mwah, kijk joh. Bodybuilding hè. Ben hartstikke sterk hoor.
M: En waren je vrienden ook zo sterk?
E: Ja. De hele club hè.
M: Had je veel vrienden? Goede vrienden? Om te knokken?
E: Ook een biertje drinken. Beetje rotzooien met de wijven. Knokpartijtje met anderen. Gouwe tijd.
M: En als je nu eens een keer een probleem had. Kon je dan ook bij je vrienden terecht?
E: Tuurlijk. Juist. Iedereen zat te ouwezeiken van een ander. Gingen we d’r met z’n allen op af mens.
W: En dan sloeg je erop los.
E: We maakten ze af. We maakten ze af.
W: Je hebt er een paar gedood.
E: Aaghh. Aaghh. Bedoel ik niet zo. Gewoon effe, tang, tang, dat ze het weer wisten. Waar het op stond hè.
W: Dus het was niet zo heftig.
E: Nee. Nee, het moest niet echt eh. Da’s een beetje te.
W: Heb je ook teveel krachten voor bij je.
E: Jawel. Beetje stoeien. Effe laten zien wie er de baas is.
W: Oh ja, dus je had toch wel het één en ander goeds in je.
E: Wat. Wat zeg je nou?
W: Je had toch nog het één en ander goeds in je.
E: Goeds in me? Ha, ha, ha. Ik moet zeggen dat ik in weken niet zo gelachen heb.
W: Zie je, dan is het toch nog gezellig.
E: (bouwt na) Je hebt toch nog wel wat goeds in je.
M: Heb je altijd zo moeten knokken? Ook toen je wat jonger was?
E: Nou, nou. Ik weet niet.
M: Weet je nog hoe het gekomen is dat je zo moest knokken? Dat je er zo op af ging?
E: Nee, wijffie, we hadden gewoon een lekker stel vrienden bij mekaar. Hartstikke gezellig. Nog een beetje muziek d’r bij. Blowtje.
M: Dat is toch niet altijd zo geweest?
E: Wat?
M: Deze vrienden.
E: Nou, nee dat ken toch ook niet.
M: Dit leven.
E: Je hebt toch gewoon je vrienden. Met mekaar maak je het toch leuk?
M: Ja, maar het begint toch ergens op deze manier. Het is toch niet altijd zo geweest?
E: Ja, maar wat bedoel je nou?
M: Ik bedoel eigenlijk voor die tijd, toen je nog heel erg jong was.
E: Ja, en dan.
M: Moest je toen ook al knokken?
E: Nee.
M: Met broertjes, met zusjes, vader, moeder.
E: Nee.
M: Toen hoefde je nog niet zo te knokken.
E: Nee.
M: Dat is dan toch een heel ander leven dan?
E: Ja en dan. Wat bedoel je nou?
M: Ik was eigenlijk benieuwd hoe het zo gekomen is.
E: Wat.
M: Dat je met die vrienden meegegaan bent.
E: Nou, gewoon zulke (duim omhoog) kerels. Toffe gozers. Kon je van op aan hè.
C: Alleen maar knokken is ook niet alles.
E: Nee, we gingen niet alleen maar knokken. We hadden lol. Met mekaar hadden we lol. Pilsie d’r bij. Achter de wijven an. Pakten we zo’n wijffie hé. Soms met z’n drieën hoor. Tof. Tof.
M: Dat vind je nog steeds tof? Nu je erover nadenkt?
E: Nou, d’r zijn hier weinig wijven te pakken natuurlijk hè.
M: Maar denk je daar nu wel eens over na?
E: Over die wijven? Ja natuurlijk. Godsamme zeg. Kijk dat donker gaat nog wel. Maar geen wijven om je heen. Geen wijf, da’s wel zonde hoor.
F: Als jij zulke goede vrienden had. Waarom zijn die vrienden jou dan niet op komen zoeken?
E: Nou, ik denk dat ze me nie kenne vinde. Het is zo donker. Ik zie ook niks. Ik mot het ook allemaal voelen. Ze kunnen me niet vinden. Kunnen ze niks an doen hoor.
C: Waarom kwam je ons opzoeken dan?
E: Nou ik dacht eh, misschien kennen jullie me een beetje op weg helpen hè. Dat jullie misschien weten waar ze zijn. Jullie kunnen ze misschien aanwijzen hè. Ja hoe ik hier ineens kom, weet ik ook niet hoor.
S: Ik denk dat zij op aarde zijn. En jij bent dood.
E: Ja, natuurlijk dat is nogal logisch dat je op aarde bent.
S: Jij zit niet op aarde hoor.
E: Ha, ha, ha, waar ben ik dan wel.
S: Dood. Jij bent dood.
E: Kijk, kijk (wijst op armen en benen).
M: Wij zien je niet hoor.
C: Wij kunnen jou niet zien. Wij kunnen jou alleen maar horen.
E: Nou, kijk dan beter.
M: Ik zie het echt niet.
E: Jullie zitten me te bedonderen. Kijk en daarom zoek ik nou m’n vrienden hè. Dat zijn de enige gasten waar ik op aan kan. Zelfs jullie zitten me te belazeren.
B: Kijk eens goed om je heen. Wat zie je dan?
E: Nou, jullie.
B: En wat zie je nog meer.
E: (mompelt) Wat zie ik nog meer. Kaarsies.
B: Ja en wat nog meer. Kijk eens heel goed om je heen.
E: Verrek het wordt nog lichter.
B: Ja en wat zie je nog meer.
E: jemig. Aahh. Sakkerdeneete.
B: En kijk eens verder.
E: Aahh. Huh. Jezus. Ken je niet een paar van die kaarsies uitdoen?
B: Nee, dat doen we niet.
E: Maar als ik blind ben dan kan ‘k dat niet zien. Hoe kan dat nou?
B: nee. Dus je ogen doen het nog goed hè?
S: Dus je bent niet blind geslagen.
B: Kijk eens een beetje langs dat licht.
E: (spottend) Kijk eens een beetje langs dat licht.
B: Ja.
E: Dan moet je me eerst eens leren hoe ik dat doen moet. Want dat weet ik niet. Kijk eens een beetje langs het licht. Nou, aangezien d’r hier overal licht is weet ik niet hoe ik er langs moet kijken hoor.
B: Nou, ga maar even rustig zitten. Even rustig zitten. Ontspan je een klein beetje.
E: (naar Willem) Pas op hè. Pas op.
W: Wij doen jou niets.
E: (naar Willem) Pas op hè dat je me niet aanraakt.
W: Ik raak je niet aan.
E: Als m’n vrienden d’r waren, die zouden me helpen.
W: Er wordt hier niet gevochten.
M: Wij helpen je ook wel.
E: Hoe dan? Ga je ze helpen zoeken voor me?
M: Nee.
B: We willen je graag op weg helpen. Je vraagt of we je kunnen helpen om te kijken.
E: Ja, je zegt tegen me, kijk eens langs het licht.
B: Ja.
E: Nou, ik leg net uit dat het allemachtig veel licht is. Daar kan je niet langs kijken.
M: Nee? En er doorheen?
E: Jeetje, m’n ogen.
M: Ja maar het went wel.
E: Ze doen zeer. Ik zie alleen maar wit. Wit, wit, wit. Aaahh.
W: Kijk eens of je er iets anders in herkent.
E: Ja.
W: Doet het zeer aan je ogen? Dat komt omdat je zo’n tijd in het donker hebt gelopen, hè?
E: Ja, dat ken.
W: Dat zou heel goed kunnen hè? Dat moet even wennen. Geef het even de tijd.
E: Ga ik dan m’n vrienden zien?
B: Misschien zie je iemand anders.
E: Er komt een vent met een jurk. Haaaa.
C: Herken je die misschien?
W: Kijk eens goed.
E: Een vent met een jurk.
B: Het is toch een tijd geleden dat je iemand gezien hebt?
E: Ja.
B: Nou dan. En net zei je nog dat je niemand zag.
E: Ja maar wat moet ik nou met een vent in een jurk?
M: Wat wil hij van je?
B: Vraag het eens aan hem. Misschien zegt hij wat tegen je.
E: Ja, ik ben bedonderd. ‘k Ga een beetje met een vent in een jurk..... Ben geen eh.....
B: Ja, maar dat hoeft toch ook helemaal niet.
E: Geef mij maar een wijf.
B: Daarom kan je toch wel luisteren. Je luistert ook naar ons. Dus je kan ook naar hem luisteren.
C: Misschien heeft hij iets te zeggen tegen je.
W: Kun je het gezicht zien van die vent in die jurk? Niet goed? Helemaal niet?
E: Zie niks.
W: Zegt hij wat tegen je?
E: Nee.
B: Vraag eens wat aan hem. Zwaai eens naar hem.  
E: Doet’ie zo (met gevouwen handen voor de borst). Hhhh.
S: Ik denk dat hij je groet.
E: Ik weet me god niet waar ik nou in terecht gekommen ben. Tsjonge.
B: Het is toch een tijd geleden dat je iemand gezien hebt.
E: Ja maar eh, kerels met jurken an. Travestietenclub?
W: Nee hoor.
C: Maar het licht is toch wel beter dan het totale donker.
E: Ja, nou, maar eh. Ik ben een eh, gezonde knul hoor eh. Aan mijn lijf geen polonaise.
B: Geloof je ons nu misschien dat je wel dood zou kunnen zijn?
E: Begint’ie weer. Man, kijk nou (voelt aan zichzelf). Als ik dood was, zat ik hier niet. Ik zit hier.
S: Lijkt hij niet een beetje op een engel?
E: Welnee. Gewoon een vent met een jurk.
W: Heb je ooit op aarde zoveel licht gezien? Heb je ooit weleens eerder zoveel licht gezien? Ik denk het niet hè? Denk eens goed na.
E: Nee. Nee. Nee.
W: Dat heb je nooit gezien.
E: Nee. Nee. Nee. Ik moet eerlijk blijven. Nee. Nee.
W: En zo’n man?
E: Ha, nee.
W: Die heb je ook nog nooit gezien hè?
W: En hoe voelt dat nu aan?
E: Wat? Die vent?
W: Dat licht.
E: Nou eh, ik weet niet wat ik ermee moet hoor.
W: Zijn er behalve die man die je ziet nog andere dingen die je waarneemt?
E: Nou, daarachter hè (wijst achter Shirley en Dirk). D’r staan d’r nog meer. Van die witte soepjurken. haaaa.
W: Allemaal van die soepjurken?
E: God, oh god, oh god, waar ben ‘k terecht gekomen?
S: Ik denk dat zij uit een hemel komen. Dus dat zegt al iets over jouw situatie.
E: Zoals wat.
S: Dat jij dood bent.
E: Hm, dat kan niet mens, want ik heb niet zo’n jurk an.
S: Die krijg je ook niet zomaar. Daar moet je wel wat voor doen.
C: Die moet je verdienen.
E: (lacht smalend) Oh, wat moet ik daarvoor doen dan? Om een jurk an te mogen? Haaaaa. (stampt op de grond)
W: Je hoeft er eigenlijk helemaal niets voor te doen. Je zou eigenlijk alleen maar moeten erkennen dat je niet meer leeft.
S: Je leeft wel, maar ergens anders. Niet meer op aarde. Daarom zie je dat vreemde licht en die andere mensen in die lange jurken. Die lopen niet op aarde rond hoor. Alleen daar.
E: Ja maar waarom hebben ze dan een jurk aan?
S: Omdat dat daar gebruikelijk is.
E: Je denkt toch niet dat ik als vent in een jurk ga lopen? ‘k Ben geen wijf.
C: Maar dat hoeft ook niet.
E: Ik ben geen wijf.
S: Je mag je kleren wel aanhouden.
C: Dit is alleen maar om jou duidelijk te maken hoe jouw situatie nu is.
E: Ja, ja.
W: Begint het je een beetje duidelijk te worden?
E: Nou, ik snap d’r nog geen moer van hoor, maar dat zal wel aan mij liggen.
W: Begrijp je dat we bezig zijn om je een beetje te helpen. We constateren nu al dat je wat kunt zien. Er zijn geen agressieve mensen om je heen. Ze staan netjes te wachten op jou, wat je doet. En wat wil je? Je mag zelf de keus maken. Wil je terug of wil je verder.
E: Nou een beetje lol. Dat wil ik wel.
W: Dat kan ik me voorstellen. Daar zijn we allemaal naar op zoek. Beetje lachen.
E: Ken je een beetje lol maken met die eh .....
W: Ja natuurlijk.
E: Met die soepjurken.
W: Ja, wat dacht jij dan.
E: Ze zien er nou niet echt naar uit alsof ze zich te pletter lachen hoor.
W: Wij lachen ook.
E: Ja, maar jullie hebben niet van die jurken an.
C: Ze maken alleen lol in liefde en niet in agressiviteit.
E: (retorisch) Ze maken alleen lol in liefde. Mensenlief wat een moeilijke termen allemaal. Hoe kan je nou lol in liefde maken.
C: Gezelligheid met elkaar en geen knokpartijen meer bijvoorbeeld.
E: Is toch leuk zo af en toe eens effe eh..... Is toch geen kwaad.
S: Degene die jou geslagen heeft, heeft je letterlijk het leven uit geslagen. Zo leuk is dat nou. En daarom zit je nu hier. Zo leuk is dat.
E: Nou.
S: Ja.
W: En nu.
E: Zeg het maar.
C: Wil je terug of wil je verder?
M: Zeg jij het maar.
W: Wat wil je? Wil je plezier? Wil je liefde om je heen? Toch wel een beetje?
E: Af en toe weer een lekker wijffie.
W: Gezonde liefde hè? Gezonde liefde.
E: Ja. Niet zo’n soepjurk. Schei toch uit. Ben geen mietje.
S: Er zitten ook vrouwen tussen hoor. Vergis je niet. Mannen en vrouwen.
E: Ze hebben allemaal dezelfde jurk.
S: Ja, dat geeft toch niet.
E: Dus als ik daar heen wil moet ik eerst zo’n jurk aan?
AW: Nee, dat hoeft niet.
E: Gelukkig zeg.
S: Je mag het ze wel vragen.
E: .... zo’n jurk.
W: Als je het fijn vindt mag je ook zo’n jurk aan.
E: Nee, oh vent schei alsjeblieft uit. Wat moet ik met zo’n rotjurk. Zal m’n vrienden tegenkomen. Ze lachen zich helemaal te roesten joh.
W: Misschien zijn ze daar al.
E: Wat?
W: Misschien zijn je vrienden daar al.
E: Tussen die soepjurken? Geloof je toch zelf niet.
W: Het zou kunnen.
E: Ik heb geen vrienden in soepjurken. Ze lachen zich te roesten man, als ze dat zien. Ha, ha, ha.
S: Vrouwen in soepjurken vind je wel leuk.
E: Nou, deze niet hoor. Liever meer een beetje eh..... (wijst mini aan).
S: Je kan niet alles hebben hè?
E: ‘k vind dit een beetje eh.
S: Er zijn daar ook vrouwen hoor.
E: Ja, dat zei je al meer.
S: Nou dan.
E: Ook van die soepjurken an. Je ziet er niks an.
M: Ja maar weet je, er is meer dan alleen de mooie buitenkant hoor. Het is ook wel eens fijn om goed met iemand te kunnen praten.
E: Oh ja?
M: Jazeker. Dat je eens tegen iemand kunt praten over hoe je je voelde zo lang in dat donker en wat er nu met je gebeurt nu je wat andere dingen ziet. Je hebt nu met wat mensen gesproken. Je hebt andere verschijningen gezien. Ik kan me indenken dat je daar ook eens over wilt praten.
E: Dus die soepjurken willen weten hoe ik me voel als ik in het donker zit. Nou kan ik gauw genoeg vertellen. (roept) Klote! Klote!
S: Daar kun je wat aan doen hoor. Je kunt het veranderen.
M: Ze geven je toch de kans. Ze staan toch niet voor niets op jou te wachten.
E: Alleen op mij?
M: Jazeker.
E: (verbaasd) Ben je besodemieterd. Ze staan er toch zeker niet op mij te wachten.
M: Jazeker.
E: Al die soepjurken bij mekaar op mij te wachten? Heavy!
M: Ze willen je echt helpen.
E: Sodekuddes.
M: Ja, denk daar maar eens over na. Dat is niet niets. Alleen voor jou.
E: Jullie hoeven niet hoor (spreekt tot de witte figuren en wuift met z’n arm). Ga maar weg. Ga wel eh ander keertje.
M: Wil je weer terug?
E: Nee, nee, nee.
M: Dan moet je ze niet wegsturen.
E: Met die soepjurken wil ik ook niet mee.
M: Ja maar dan moet je terug.
E: Nee joh, gedverdemme.
M: Stuur ze dan niet weg.
E: Dus het is of terug of met die soepjurken mee?
M: Ja, geef ze nog een kans. Ze tonen je een hele andere wereld.
E: Nou, nou, nou, het is ook van de zotte eigenlijk hè.
M: Het is helemaal niet eng hoor.
E: Nee dat snap ik ook wel. Het is om je te pletter te lachen.
M: Je wilde toch lol?
E: Ja dat wel.
M: Dan heb je lol.
E: Nou als ik in m’n eentje tussen die soepjurken zit heb ik nog weinig lol. Met m’n vrienden d’rbij zou ik lol hebben. Maar ik kan toch niet in m’n eentje al die soepjurken gaan zitten pesten?
M: Je blijft daar niet.
E: Ze zien er nou niet naar uit of ze eens effen lekker een partijtje willen.... (neemt knokhouding aan).
M: Nee, dat niet.
E: (damesachtig) Pas op dan scheurt m’n jurk.
M: Maar je krijgt er toch een ander leven. Je blijft niet steeds tussen hen. Je mag met hen mee.
E: Het zijn een soort eh..... Wat zijn het eigenlijk?
M: Gidsen.
E: Gidsen?
M: Is dat iets?
E: Gidsen?
M: Ja ze willen je de weg wijzen.
E: Oh, dus ik hoef maar een stukkie met ze mee?
M: Een stukje ja. Want je zal eerst aan jezelf moeten werken.
E: Poeh (hele grote zucht). Gelukkig. ‘k Was bang dat ik bij ze moest blijven.
M: Nee, ze helpen je een stukje op weg.
E: Oh, en waar brengen ze me dan heen? Naar m’n vrienden?
W: In een omgeving waar jij je thuis voelt.
C: Waar je uit kunt rusten, kunt slapen.
E: Uitrusten? Mens, ik ben doodziek van dat uitrusten. Beetje actie daar zit ik op te wachten.
C: Dat kan ook. Dat ligt helemaal aan jou.
M: Ik denk dat ze iets voor je verzinnen. Dat ze het er met je over zullen hebben, waar jij je prettig bij zult voelen. Misschien mag je wel een beetje werken. Misschien mag je wel andere mensen helpen. Misschien kom je vrienden tegen. Dan kun je samen anderen helpen.
E: Pfffff. Niet te dichtbij hoor (heeft het tegen de witte figuren). Eh, poeh, rustig.
C: Ze komen pas dichtbij als jij er aan toe bent.
E: Ben je belazerd. Er stonden er ineens drie hier.
W: Herkende je ze?
E: Welnee. Soepjurken.
W: Heb je goed naar de gezichten gekeken? Heb je echt goed naar de gezichten gekeken?
S: Had jij nog een opa en oma?
E: Wat hebben die nou weer met die soepjurken te maken?
S: Ik vroeg me af of zij dood waren. Weet je dat nog?
E: Nee.
S: Nee? Had je andere familieleden die al dood waren?
E: Oh, dat kan wel. Heb ik me eigenlijk nooit zo in geïnteresseerd. Kan mij het schelen als er één de pijp uit gaat. Heb ik toch geen boodschap an?
S: Realiseer je wel dat jij ook dood bent? Dat je misschien van die familieleden wat hulp kunt krijgen. Als je het wel gewoon netjes vraagt. Dat kan. Misschien staan ze er wel tussen. Dus als jij een opa of een oma nog kent van vroeger? Misschien als je goed kijkt?
E: (verbaasd) Jojo. Jojo? (tot een witte figuur) Godsammenikkie vent. Wat doe jij nou tussen die soepjurken? Daar staat Jojo.
S: Ja, die is dood hè?
E: Vaaah.
S: Dus jij ook.
E: (zachtjes tot de witte figuur:) Jojo. (hard) Jojo waar zijn de wijven gebleven man!
W: Eén van je vrienden?
E: Ja. Dat is Jojo. Dikke maat. Lachen met Jojo.
S: Heeft hij een jurk aan?
E: Ja.
W: Zou je met Jojo mee willen?
E: Ja. Ja. Met Jojo wil ik wel mee. Zo’n peer (duim omhoog).
W: Vraag eens aan hem of hij je mee wil nemen?
E: (voert gesprek met Jojo die in de geest aanwezig is) Ja. Wat gaan we dan doen? Pintje pakken? Wat dan? Praten. Praten? Jezus man wat is ‘r met jou gebeurd? Och heden. Lachen. Ken je dat nog dan? Je ziet er zo soeperig uit. Je lijkt wel een nicht. Oh praten. Oh, Jojo. Wat is ‘r nou toch met je gebeurd man? Heb je het naar je zin? Godsammenikke vent, hoe kan dat nou? Hè? Ja. Ja ik wil wel met je mee, maar je bent zo anders. Je bent het niet meer hoor. Oh. Oh, ja. Ja. Ik vertrouw je wel. Oh. Ga jij het me uitleggen. Gelukkig want ik snap ‘r geen donder meer van hoor. Waar is je motor? Weet je het niet? Ben de mijne ook kwijt joh. Ken ‘m nergens meer vinden. Zonde hè? ‘t Was zo’n gave, man. ‘k Had ‘m pas helemaal opgeknapt. Me gek liggen sleutelen d’r onder. Opgepoetst. Alles moet je hier lopend doen hè. ‘t Is toch wat. Jij ook? Jij niet. Hoe ga jij dan weg? Hè? Hé? Wat zeg je me nou? Door je gedachten? Hoef je niet meer te lopen dan? Het kan wel, maar het hoeft niet. Sodeflikkers vent ben jij effe an ‘t trippen.  
C: Ga maar met Jojo mee. Lijkt me wel heel verstandig.
E: Nah, hij legt het me uit zegt’ie. Ik vindt het wel maf hoor. Ik blijf het maf vinden.
W: Heb er maar vertrouwen in.
C: Het wordt je nog wel duidelijk.
E: Tsjonge, jonge, jonge. Nou weet je. Oké dan. Ik ga met ‘m mee en ik luister naar ‘m. Het was zo’n peer hoor.  
M: Verstandig.
E: (fluistert) Maar volgens mij ist’ie volledig doorgedraaid.
E: Zielig.
M: Luister toch maar naar hem.
E: Zielig. (tot Jojo:) Oh Jojo wat is er toch met je gebeurd? Klojo dat ben je. Ahh.
F: Geef Jojo een kans om het jou uit te leggen. Dat je kunt snappen wat hij doet.
E: Ja, dat doe ‘k ook wel hoor. Maar ik ben zo bang dat als ‘k eenmaal tussen die soepjurken zit, da’k daar blijven moet. En ook zo’n jurk. Ik moet er niet aan denken.
C: Je zult je in ieder geval een stuk beter voelen. Voorlopig.
W: Het ga je goed.
E: Oké dan. (tot JoJo:) Jojo. Ik kom bij je knul. Wacht effe. Wacht effe, ik ken niet zo snel. Oh, je blijft staan. Wach’ie op me dan? Oké! Oké, oké, doe ‘t wel weer. Maar niet zo’n jurk. (fluistert) Hoeft het niet. Oké. (zucht)