5: Piet, die behoefte heeft aan drank

E = Piet

E: Hmmm.
B: Goedenavond. Waar kom je vandaan?
E: (haalt schouders op)
B: Weet je dat niet? Wat is je naam? Vond je het gezellig hier? Ben je daarom hier naar toe gekomen?
E: Laat me slapen.
B: Waarom?
E: Ik ben moe.  
B: Jawel, maar we willen graag dat je even bij ons komt.
E: Ik ben er toch.  
B: En, vind je het mooi hier?
E: Mwah, kan er mee door.
B: Ja, vind je het gezellig hier in de kamer?
E: Mwah, beetje warm hè? Beetje warm.
B: Dat is toch wel lekker? Vind je dat niet lekker?
E: Mwah, mmm. Hebben jullie niks te drinken voor me? Ik heb zo’n dorst hè.  
B: Heb je veel gedronken altijd?
E: (smakt met zijn tong) Nee, d’r was niks meer te vinden. Ik heb zo’n dorst. M’n tong plakt aan m’n gehemelte.  
E: Heb je niks te drinken voor me?
B: Dat is een beetje moeilijk hè.
E: Waarom? Heb je niks te drinken voor een arme oude man.
B: Hoe oud ben je eigenlijk?
E: Hoe oud? 78.
B: 78 al!
E: Ik heb zo’n dorst. Ah mens, ik heb zo’n dorst.  
M: Pak dat glaasje aan dan. Lekker wat water. Drink maar op.
E: Water!
M: Lekker toch!
E: Wat heb ik nou weer aan water!
M: Tegen de dorst.
E: Een oude man heeft wat sterkers nodig om z’n botten te verwarmen.
M: En je had het al zo warm.
E: Warm?
M: Dat zei je net.
E: Hm. Hm. Nou. Toch moet het een beetje sterker zijn. Ik ben een beetje strammig. Beetje smeren moet het. Water smeert niet.  
C: Het is wel goed tegen de dorst.
E: Deze dorst is niet te lessen met water.  
B: Probeer het eens.
E: Ik wil gewoon iets anders. Een lekkere borrel of zo. Gunnen jullie me dat niet? Een arme oude man.  
M: We hebben het hier niet.  
F: Waarom zou je het water niet proberen? Hoe weet je dat het je dorst niet lest?
E: Jenever. Jenever. Lekker. Lekker zo’n, zo’n lekkere oude klare. Ik had altijd thuis zo’n fles, hè. Zette ik op de tafel. Heerlijk.
F: Dat begrijp ik heel goed. Je hebt nu een glaasje water voor je staan. Waarom probeer je dat niet om te kijken of het je dorst lest?
E: Hebben jullie geen jenever?
B: Nee, helaas, dat hebben we niet meer. Probeer dat water eens. Neem er eens een slokje van. Dan zul je zien dat het je dorst lest.
E: Kijk vriend. Nou kan je me alles wijsmaken. Ik weet niet hoe oud je bent hoor. Dat weet ik niet.
B: Niet zo oud.
E: Ik ben 78 en ik ben oud. En als je oud bent dan vind ik dat je best een borreltje mag drinken. Eentje, eentje maar, eentje.
B: Maar we hebben geen borreltje. Dat hebben we niet.
E: Mmm. Jammer. Dan ben ik bij de verkeerde gekomen. Jammer.  
C: We kunnen je water bieden voor de dorst en dan kunnen we even gezellig babbelen.
E: Als ik zo’n droge keel heb kan ik niet praten.
C: Als je eerst dat water eens opdrinkt?
E: Wat doen jullie dan?
B: Wat wij doen?
E: Wat zitten jullie dan te doen?
B: Wij zitten te praten over allerlei dingen en we proberen veel dingen van elkaar te begrijpen.  
E: Waarom? Waarom?
B: Omdat we graag willen leren van elkaar. Dat vinden we belangrijk. Vind jij dat niet belangrijk dan?  
E: Nou, vroeger. Vroeger wel hè. Maar ja. Je weet hoe dat gaat. Je wordt een beetje oud. Je blijft een beetje alleen. En dan heb je gewoon niemand om te praten. Dan zit je daar met je eigen gedachten.
B: Dat is inderdaad niet makkelijk nee.
E: Dan wordt het zo somber en zwart en dan pak ik er één hè. Gewoon. Om een beetje warm te worden.
F: Ga eens terug naar vroeger. Wat vond je toen zo belangrijk?  
E: Nou, kijk toen m’n vrouw nog leefde, toen had ik er niet zo’n erg in. Nee. Maar m’n vrouw is dood. Vroeger toen zei ze dan tegen mij: “Piet laat het nou staan joh. Doe het nou niet. Je wordt er zo somber van”. Maar het is sterker hè. Het is sterker dan jezelf. Dus doe je het. Je doet het toch.
F: Als je dan terugdenkt aan je vrouw, zou je dat glaasje dan nu wel aan willen pakken?
E: M’n vrouw. Weg. Al járen. Jammer hoor. Had ik nou maar naar d’r geluisterd. Dan was ze er misschien nog.  
S: Wat heb je toen niet willen horen?
E: Nou, ze waarschuwde me vaak hè. Zei ze: “Piet, jongen doe het nou niet”. Maar ja. Ik was eigenwijs. Dan deed ik het toch. Als ze niet keek. Stiekem.
F: Heb je daar nu spijt van?
E: Stiekem. Maar ze had het door. Ze zag altijd alles. Ze hoorde alles. Ze rook alles.  
B: En daar heb je nu wel een beetje spijt van?
E: Eentje. Eentje.
B: Als je nu terugdenkt waarvoor wij hier zijn. Zou je dan met ons willen meepraten ergens over?
E: Ik heb het niet gehoord. Dus ik weet het niet.
M: Je hield veel van je vrouw hè?
E: Ja, dat kun je wel zeggen ja.
S: Heb je veel spijt van wat je gedaan hebt?
E: Ik heb het fout gedaan hè. Ik heb het fout gedaan.  
S: Zou je het graag goed willen maken?
E: Ik had naar d’r moeten luisteren. Ik had naar d’r moeten luisteren. En nou. Nou ben ik een eenzame oude man.  
S: Zou je dat willen veranderen?
E: Ik heb het geprobeerd, maar het lukt niet. Het is donker hier. Ik zie niemand. Ik kan dat toch niet veranderen? Ze is dood. Ze is weg.
S: En als wij jou daar nu eens bij helpen? Zou je dat willen?  
E: Wat bedoel je? Waarmee helpen?
B: Je helpen om een beetje licht te zien.
E: Ik heb liever een borrel. Licht kan je niet drinken.
L: Piet, je hebt zelf gezegd dat je er somber van wordt. Van die borrel. Weet je nog?
E: Van eentje niet. Van eentje niet. Wel als ik er meer neem. Maar dat doe ik niet. Ik drink er dan maar één.
L: Maar juist dat sombere, dat willen we nou voorkomen hè. Begrijp je?
E: Ja maar, ik ben toch al somber. Wat maakt het dan uit?
L: Daarom zijn we juist hier. Om te voorkomen dat je nog somberder wordt. Dat moet je voorkomen.
E: Hoe dan?
L: Door niet die borrel te nemen.  
E: En dan? Begrijp je nou waarom ik nooit eens iemand zie.
L: Echt helemaal niemand?  
F: Wat denk je zelf dat het is? Hoe zou het kunnen dat je niemand ziet?
E: Op een dag ging het licht uit en ik heb gezocht naar de schakelaar. Nergens meer. Nergens meer. Donker.
F: Wat denk je dat dat betekent?
E: Ik weet het niet. Ik weet het niet.
F: Heb je echt geen enkel idee? Of denk je iets dat je niet durft te zeggen?
E: Nou, ik heb wel eens gedacht, maar ik begrijp het niet.  
F: Wat begrijp je niet?
E: Nou, dat het zo donker blijft. Eens moet dat licht toch aan. Jullie hebben toch ook licht. Waarom jullie dan wel? En ik niet.
F: Omdat wij het licht willen zien.
E: Ik toch ook. Ik heb me rot gezocht.
F: Je hebt gezocht. Maar hoe zoek je licht op? Niet met je handen.  
E: Hoe komen jullie dan aan dat licht?
S: Dat vragen wij aan God.
E: Geeft die licht dan?
S: Ja.
E: Oh.
S: Vraag jij het eens aan God?
E: Ik ken God niet. Wie is dat?
S: God is degene die jou geschapen heeft.  
E: Welnee.  
S: Ja hoor, en ons ook. Hij geeft ons dat licht.  
E: Helemaal niet. M’n moeder. M’n moeder was het. M’n vader. Wat is nou God? Wie is nou God? Ken ik niet. Ik snap het niet. Wijffie, ik snap het niet.
S: Heb je vroeger nooit kerken gezien, waar je woonde?
E: Mwah, ik ben er nooit in geweest hoor.
S: Maar er waren wel mensen dus, die je kende, die wel in God geloofden?
E: Ja, daar bemoeide ik me niet mee.
S: Maar je wist dus wel dat er een God was?
E: Ja, je hoort er wel eens over praten.
S: Dus je kent Hem wel?
E: Nee, gekke praat.
B: Je ziet nu wel licht hè?
E: Ja.
B: Kijk hier dan eens om je heen.
E: Moet ik dan God zien?
B: Nee hoor, helemaal niet. Kijk gewoon eens om je heen.  
C: Misschien zie je iemand anders?
E: Ja, jullie.
S: En je ziet licht.
E: Gelukkig wel. Ha, ik wou bijna zeggen God zij dank wel. Maar dat doe ik maar niet.
S: Waarom niet. Je deed het net wel. Je dankt God voor het licht.
E: Gek hè?
S: Nee hoor, dat is heel normaal. Als je het Hem vraagt krijg je het. Wij hebben het gevraagd, dus wij hebben hier licht. Als jij het vraagt, krijg je ook licht.
E: Krijg ik dat?
S: Ja, dat krijg je helemaal voor niets. Vraag het gewoon eens. Desnoods in gedachten.  
E: Ken hem toch niet. Ken ik het toch niet vragen.
F: Hij kent jou wel.
E: Hoe kan dat?
F: Hij kent iedereen.
E: Hoe kan dat?
F: Omdat Hij ons gemaakt heeft.
E: Gemaakt heeft?
F: Hij is de Schepper van alles.
E: Timmerman.
F: Ja, zoals je wilt. Daarom herkent Hij al zijn creaties. Daarom kent Hij jou ook. En als jij aan Hem om licht vraagt, dan zal Hij je dat geven. Je hoeft het niet hardop te doen. Als je het denkt is dat genoeg.
E: Ik heb het altijd onzin gevonden. Waarom zou ik nu ineens dat gaan vragen?
F: Wat verlies je ermee als je het niet doet?
E: Heeft hij een borrel voor me?
M: Nee, wel licht.
F: Hij heeft iets dat veel beter werkt, wat je verwarmt, wat je dorst lest of je botten smeert, dat noemen ze liefde.
E: Een moeilijk woord hoor.
F: Dat weet ik en dat begrijp ik ook.
E: Moeilijk.
F: Maar waarom zou je het niet proberen?
E: Altijd moeilijk gevonden ook, liefde.
C: Maar je weet wel wat het is. Je hebt ook van je vrouw gehouden.
E: Ja, maar ik heb het haar nooit gezegd.
F: Heb je het wel gedacht?
E: Hmm, dat wel. Maar ik heb het haar nooit gezegd.
F: Dat hoeft niet. Denken is genoeg.
E: Ik heb haar veel verdriet gedaan hoor.
F: En toch heeft ze van je gehouden.
E: Dat weet ik.  
C: Heb je er spijt van dat je haar verdriet hebt gedaan?
E: Ja, dat kan je wel stellen ja. Als ik ergens spijt van heb, dan is het wel voor Betsy. Ja.
C: Kijk eens om je heen. Zie je iets?
E: Witte figuren. Honderden.
C: En wat nog meer?
E: Jullie.
C: Ons.  
L: Kijk eens goed naar die witte figuren.
B: Staat daar misschien een bekende bij? Kijk eens heel goed.
L: Kijk maar rustig. Heel rustig.
E: Nee, ik geloof niet dat ik ze ken. Wat doen die hier? Wat is het hier druk! Is het altijd zo druk hier?
A: Ja.
E: Krijgen zij ook niks te drinken? Als je visite krijgt, dan geef je ze toch iets te drinken?
M: Het is geen gewone visite.
E: Wat dan?
M: Kijk nog eens eventjes naar die mensen, naar al die witte mensen. Zijn het gewone mensen?
E: Wel gek, allemaal wit.
M: Is dat altijd zo geweest?
L: Niet hè?
M: Ze zien er een beetje anders uit hè?
E: Jullie niet, hè?
M: Nee, er is verschil. Dat is raar.
E: Raar! Die witte dingen op d’r hoofden. Die ..... (wijst punthoeden aan).
C: Hoe zou het komen denk je?
E: Ik kan die gezichten bijna niet zien. Ik zie alleen maar zo’n jas.
B: Vraag eens of ze die muts afzetten, dan kun je de gezichten zien. Dat doen ze wel voor je.
E: Waarom hebben jullie niet zo’n jas.
M: Wij leven niet daar.
E: Waar?
M: Waar die witte gestalten leven.
E: Komen die uit een ander land dan?
B: Uit een andere wereld.
E: Welke wereld.
B: Dat is de wereld van de geest.
E: Hè? Nou dat snap ik niet.
F: Dat is de wereld van God. Snap je dat wel?
E: Word je dan wit?
Al: Ja.
F: Hoe zie jij er nu uit?
E: M’n werkpak.  
F: Kijk eens heel goed.
E: M’n werkpak. M’n broek. Vest. M’n vest. M’n jasje. Ik ben niet wit hoor. Ik heb niet zo’n wit pak aan.
B: Zou je dat graag aan willen hebben, zo’n wit pak?
E: Nee. Waarom?
M: Als je nu naar al die witte figuren om je heen kijkt. Het is zo druk. Wie zou je eigenlijk het liefste nu zien tussen al die mensen?
E: Betsy. Betsy.
M: Roep haar eens.
E: Ze is dood.
M: Ja, weet ik.
E: Ze is dood, wijffie. Dan kan ik toch roepen zo hard als ik wil.
B: Probeer het nu eens.
E: Ze hoort het niet.
C: Probeer het maar.
M: Ik denk dat ze het hoort.
E: Dood is dood.
B: Probeer het eens. Wat heb je te verliezen als je het eens probeert?
E: Je denkt toch niet dat ik in den vreemde Betsy ga roepen!
B: Waarom niet?
M: Denk dan eens heel erg aan haar. Denk eens aan jouw lieve Betsy.
E: ‘k denk altijd aan d’r!
F: En kijk nu nog eens goed naar die witte gestalten.
E: ‘k denk altijd aan Betsy. En hoe ik anders had moeten zijn.
B: Kijk nu nog eens omhoog naar die witte gestalten.
E: Omhoog? Daar! (wijst achter de groep) Daar zie ik ze.
B: Kijk nog eens goed.
E: Ik zie niks. Ja wel. Licht. Nog meer licht.
B: Mooi hè?
E: Machtig wat een licht zie je hier! Waar haal je het vandaan? En ik maar zoeken. En ik maar zoeken. Nergens licht te vinden. En jullie komen er in om. Je stikt er nog in. Het is niet eerlijk.  
F: Dat licht is er ook voor jou.
E: Omdat ik hier ben?
F: Omdat jij hier bent gekomen, ja. Je hebt het licht opgezocht en je hebt het gevonden.
E: Mmm, mmm, hallo!
F: Ja, wat wil je van me horen?
E: Je zei iets.
F: Ik zei dat je het licht gevonden hebt.
E: Ja, nou, en dan.
B: Als je wilt dan kun je daar altijd in blijven.
E: In dit licht?
B: Dat kan. Als je dat wilt.
E: Oh, dus ik kan hier blijven zitten? Fijn hoor. Ben ik wel blij om. Ik ben best wel moe. M’n ruggie. M’n rug, al dat lopen. Ik zit hier best hoor. Jullie zijn wel aardig. Eerst dacht ik dat is niets Piet. Je krijgt niet eens een borrel. Maar nou, ik mag jullie wel. Waarom zeg jij niks?
W: Piet nam jij nou altijd een borreltje om het leed te vergeten?
E: Soms. Enkel keertje hoor. Soms hoor.
W: Zou jij voorgoed verlost willen worden van al dat leed?
E: Ja maar hoe hè?
W: Zou je het graag willen?
E: Ja.
W: Zou jij in het licht willen blijven waar je verlost bent van al dat leed? Waar geen borreltje meer nodig is?
E: Wat is er dan wel?
W: Kijk eens goed Piet. Kijk eens goed naar het licht dat van boven naar beneden straalt. Kijk eens naar degenen die nu op je af komen. Kan ik je nu een handreiking.....
E: Potverdikkeme zeg! Drie tegelijk!
W: Kijk eens.
E: Drie tegelijk!
W: Voel je de liefde die die mensen uitstralen voor jou?
E: Drie! Drie!
W: Fijn hè?
F: Die komen speciaal voor jou. Hoe vind je dat?
C: Er is er vast één bij die je kent.
E: Ze zijn niet wit hoor. Die staan nog steeds daar (wijst achter de groep).
W: Wie komt er op je af?
F: Kijk eens goed naar die drie mensen die nu naar je toekomen. Wie zijn dat?
W: Is Betsy erbij?
E: Man, het is d’r. Verdomd het is d’r. (vertoond beschaamd gedrag)
C: Je hoeft je niet te schamen.
F: Zou je nu tegen Betsy durven zeggen: het spijt me?
E: Ze is dood. Hoe kan dat nou?
F: En toch kun je haar zien.
B: Hoe zou dat komen denk je? Denk eens heel goed na. Hoe zou dat kunnen komen.
E: ‘k krijg steeds meer dorst.
F: Piet kijk eens naar Betsy en vergeet je dorst.
W: Ga er eens vanuit dat je onder dezelfde omstandigheden leeft als Betsy.
E: Jullie zitten hier maar hè? Ik praat. Vertel me nou eens even hoe dat kan. Dat ik m’n eigen Betsy zie?
W: Piet, je bent niet meer van deze wereld.
E: Welke wereld?
W: Ee wereld waar je vroeger bent geweest. Toen bij jou het licht uitging heb jij een overstap gemaakt naar een andere wereld. De wereld waar Betsy is. Een wereld waar een heleboel liefde is en een heleboel vergevingsgezindheid.
E: Ook donker?
W: Die keuze heb je zelf gemaakt. Je kunt nu een nieuwe keuze maken door .....
E: Maar ik zeg donker! Bij Betsy ook donker?
W: Bij Betsy is het niet donker.  
E: Waarom dan bij mij wel?
W: Omdat je die keuze hebt gemaakt.
E: Ikke? Ik heb niet gekozen voor donker.
W: Je kan nu opnieuw een keuze maken. Wil je dat? Ben je bij ons gekomen voor hulp?
E: Nou ik dacht misschien..... Ik weet het niet meer.
W: Wij weten het wel en daarom.....
E: Ik snap er niks van. Donker. Niemand. Oude Piet. Stramme botten.  
F: Piet, je ziet nu toch licht?
E: Mmm, zat.
W: Loop er naar toe.
F: Hoe kan het dan dat je dat vroeger niet had en nu wel?
E: Dat vraag ik aan jou! Ik snap het niet.
F: Ja maar ik weet niet wat jij vroeger deed. Wat is het verschil met vroeger en nu?
E: Nou, vroeger had ik in ieder geval een vrouw, een huis.
F: Dat bedoel ik niet. Toen het donker was.
E: Borrel.
F: Toen het zo donker was.
E: Ja. Dan zeggen ze nadenken Piet. Nadenken.
M: En dat heb je gedaan.
F: En Piet heeft heel veel nagedacht in die periode dat het zo donker was. Waar of niet?
W: En wil je die keuze nu opnieuw maken? Wil je in het donker blijven? Je hebt nu het licht gezien. De mensen die je vanuit het licht een handreiking geven. Ik zou er maar naar toe gaan Piet. Dat is de plek waar je altijd liefde en warmte zult herkennen. Altijd licht om je heen. Rust, zonder dat je een borreltje hoeft te drinken om je leed te vergeten. Maak die keus maar.
E: Betsy, alleen Betsy.
W: Betsy is bij je en ze komt je halen.
C: Roep haar maar.
E: Zo’n oude mopperaar als ik.
C: Ze vergeeft je alles.
E: Ze is veel te goed.
C: Kijk maar naar haar. Geef haar maar een hand.
W: Volg je pad maar achter haar aan Piet.