4: Een dolende ziel, die zijn vader heeft omgebracht.
E: Wat doet u hier. Hallo. Is daar iemand. Is daar iemand vraag ik.
M: Wie bent u?
B: Jawel, wie bent u?
E: Ha, wie ben ik! Wie bent u! Wat doet u hier!
M: Wie bent u?
E: Ik vraag het niet. Ik zeg het niet. Wie bent u. Ha, ha.
M: Wie bent u?
E: Weet u zelf wel wie u bent. Ha, ha, ha, ha, ha, ha.
M: Wie bent u?
E: (in zichzelf.) Wie bent u. Wie bent u.
M: Komt u namens God?
E: Wat zegt u daar?
M: Komt u namens God?
E: Wie is dat? Die ken ik niet. Die wil ik niet kennen. Daar wil ik niks van horen.
M: Wat doet u hier dan?
E: Stil. Stil. Nee. Nee. Nee. Nee. Ik wil zien wat jullie doen. Ha, jullie hebben geen antwoord. Jullie weten niet eens wat je doet. Ha, ha.
M: Wat doet u?
E: Ha, wat doet u. Wat doet u, ha, ha, ha.
W: Wat zoekt u hier?
E: Wat ik zoek, vriend. Dat weet ik niet.
W: Zoekt u liefde?
E: Liefde, dat is een woord, dat ik niet ken.
C: Zoekt u licht?
E: Nee. Nee!
C: Waarom niet?
E: Nee, nee.
C: Licht kan u verder helpen.
E: Wat. Wat! (Spottend) Licht kan u verder helpen. Niemand kan mij toch verder hel-pen. Niemand wil me helpen. Ik heb het al zo vaak gevraagd. Ze doen het niet.
W: Wij willen je helpen.
E: Dat kan toch niet.
W: Jij bent bij ons gekomen om geholpen te worden.
E: Ik geloof het niet. Ik geloof het niet. Ik geloof het niet. Ik geloof het niet.
W: Kijk eens om je heen.
E: Nee.
W: Doe je ogen eens open.
E: Nee, nee, nee. Ik wil het niet.
W: Je bent bij ons gekomen voor liefde en licht. Je bent bij ons gekomen voor steun en wij willen je die geven.
E: Waarom dan? Wat hebben jullie daaraan? Je kent me niet eens, man. Je kent me niet eens.
W: Wij willen jou helpen.
E: (boos) Ja, maar waarom, waarom? Waarom dan. Dat kan toch niet. Niemand wil mij ooit helpen. Niemand heeft me geholpen. Niemand wil me helpen. Jullie kunnen dat ook niet. Waarom zouden jullie? Jullie kennen me niet eens. Jullie kennen me niet eens. Hoe kan je me dan helpen? Dat kan niet.
W: Wij zien jouw toestand en wij willen jou helpen. Kijk eens om je heen en doe je ogen eens open en kijk eens naar wat er om je heen staat. Kijk eens om je heen. Wat zie je. Licht. Liefde. Kijk eens wie er bij je staat. Wie herken je die er bij je staat? Herken je de liefde? Herken je het licht?
E: Niet doen. Niet doen (huilt).
W: Kijk om je heen. Herken de liefde. Kijk eens wie staat er bij je?
E: Niemand (verdrietig).
W: Zie je het licht?
E: Nee.
W: Doe je ogen eens open.
E: Nee. Ik durf niet.
W: Doe maar.
E: Nee.
W: Alles wat je nu omringt is liefde en licht. Kijk maar om je heen. Wie staat er bij je. Kijk eens. Kijk eens om je heen. Herken je het licht.
E: Wat doet dat daar? Daar! Daar! Daar! Daar! Kijk. Kijk dan.
W: Het licht.
E. Wat is dat dan?
W: Dat komt op jou af.
E: Ja maar waarom dan?
W: Het komt jou halen.
E: Ja, maar waarom?
W: Ze komen jou halen en ze komen jou steun en liefde en licht geven.
E: Ja, maar waarom? Leg me dat nou eens uit. Waarom?
W: Je bent een ziel die doolt, die geen keuze heeft gemaakt. Daarom ben je zo ongelukkig.
E: Wat weet jij nou van mijn ongeluk?
W: Ik zie het aan je. Laat het los. Kijk om je heen en laat die straal van liefde en licht bij je naar binnen komen. Zie je iemand bij je staan?
E: Nee.
W: Doe je ogen open.
E: Nee. Ik durf niet.
W: Je durft niet. Weet dat je van nu af aan gesteund wordt in liefde en in licht. Kijk om je heen. Kijk naar alles wat jou nu om-straalt en herken nu de harmonie en de vrede in je.
E: Ik zie bloemen.
W: Fantastisch. Herken je de warmte?
E: Ik zie bloemen. Die heb ik al zo lang niet gezien. Wat? Hè? Hoe kan dat nou? Hoe kan dat nou?
W: Kun je iemand zien die bij je is?
E: Ik zie bloemen. Bloemen (spottend). Bloemen. Bloemen (huilend).
W: Prachtige bloemen. Bloemen een teken van liefde.
E: Ze ruiken zo lekker (verdrietig).
W: Kijk eens naar het licht.
E: Thuis had ik ook altijd bloemen. Ik hield van bloemen (verdrietig). Ik hield van bloemen. Bloemen zijn zo kwetsbaar.
W: Kijk om je heen. Kijk nu wie er bij je staat. Bekijk het licht dat je nu omstraalt.
E: Ik zie bomen. Bomen. Bomen. Bomen (spottend). Hoe kan dat nou. Ik ben hier al zo lang en (verdrietig) ik zie nooit bomen. Ik zie nooit bloemen en nou zie ik het wel. Hoe kan dat nou?
W: Je wordt langzaam opgenomen in de heerlijkheid van God.
E: God? Wie is dat dan?
W: Dat is alles liefde. Dat is alles licht.
E: Ik ken geen God. Ik ken geen God.
W: Kijk omhoog.
E: Nee.
W: Kijk naar het licht. Kijk naar alles wat je nu omarmt.
E: Je maakt me in de war. Je maakt me ge-woon in de war en straks ga ik weg en dan is het er niet meer. Je houdt me voor de gek.
W: Het zal altijd bij je zijn als jij het een handreiking geeft. Reik je hand uit naar het licht.
E: Ik wil een bloem (verdrietig). Ik wil geen licht. Ik wil gewoon een bloem.
W: Reik je hand uit naar het licht en alle bloemen zullen je geschonken worden. Reik je hand maar uit naar het licht en je hand zal gevat worden en je zult opgenomen worden in het eeuwige licht met eeuwig bloemen om je heen.
E: Altijd?
W: Altijd.
E: Hoe kan dat nou?
W: Neem die stap.
E: Gaan ze niet dood dan?
W: Ze gaan nooit dood. Ze zullen je altijd omarmen.
E: Bloemen verwelken (verdrietig). Je zet ze in een vaas en ze verwelken. Na een paar dagen zijn ze dood.
W: Deze bloemen nooit. Deze bloemen zijn bloemen van liefde en licht. Geef jezelf een handreiking en reik naar het licht waarin je opgenomen wordt. Neem die stap om terug te keren naar het licht.
E: Wie ben jij nou?
W: Ik wil jou helpen.
E: Maar, waarom praat je dan zo?
W: Ik wil je zo graag helpen, omdat ik weet dat je in nood zit.
E: Ja maar waarom dan? Ik weet het niet. Waarom weet jij het dan wel?
W: Omdat wij allemaal van je houden.
E: Hoe kan dat nou? Je kent me niet eens. Hoe kan je nou van iemand houden die je niet kent. Je kunt al niet eens van iemand houden die je wel kent. Dat kan ook niet eens. Want als je dat doet, dan laten ze je in de steek. Dan gaan ze weg en dan zit je alleen en (verdrietig) ik wil niet meer alleen, hoor.
W: Je zult nooit meer alleen zijn, als je de handreiking doet naar het licht. Je zult je altijd thuis voelen. Altijd .....
E: Ik heb geeneens een thuis.
W: Dit wordt je nieuwe huis. Dit wordt je nieuwe home, waar je zal zijn. Waar je altijd thuis zal .....
E: Geef jij mij een huis? Een, een ècht huis, waar ik in kan wonen?
W: Waar je kan wonen met bloemen om je heen en waar je warmte zult vinden. Je krijgt het allemaal van God.
E: Ik ken je niet, en je geeft me zomaar een huis?
W: Je krijgt het niet van mij, je krijgt het van God. Je hoeft hem alleen maar een hand te geven.
E: Ik snap het niet! Jij zegt dat ik een huis krijg en dan zeg je weer je krijgt het van God. Ha, ha, (spottend) God. Hoe kan dat nou.
W: Daar zul je de liefde .....
E: Ik ging je bijna geloven. Ik ging je nog bijna geloven. Dat je zegt je krijgt een huis. Nou een huis, daar ben ik wel aan toe hoor. Want ik loop hier al zolang rond zonder huis, zelfs zonder stoelen. Ik kan zelfs niet eens een bed vinden. Ik lig hier maar op de grond. Dat is koud en dat is hard.
W: Wil je dat veranderen?
E: Waarom zeggen jullie niks?
W: Wil je dat veranderen?
E: Waaróm zeggen jullie niks?
B: Wij zeggen niets, omdat deze broeder het heel mooi aan jou kan vertellen.
E: (schuin achter z'n hand) Hij liegt, hè? Hij liegt, hè?
B: Waarom?
E: Ik geloof het gewoon niet. Ik geloof het gewoon niet. Want het zijn allemaal valse praatjes. Als ik dan in dat huis stap, dan is het ineens weg, of zo. Ik heb hem wel door. Sstt. Ik heb hem wel door. Sstt. Sstt. Sstt. Niks zeggen. Ik heb hem wel door.
W: Het zal er altijd voor je zijn. Je zult je er altijd thuis voelen.
E: Dat kan niet.
B: Waarom probeer je het niet eens. Waarom probeer je het niet eens?
E: Hè? Proberen? Ja maar, als ik dan naar binnen stap en het is ineens weg? Dan heb ik weer niks.
W: Nu heb je ook niets. Je kan niets meer verliezen, je kan alleen maar winnen.
E: Ja maar, hoe weten jullie dat dan? Hoe kan je dat nou weten?
W: Het is zo.
E: Dat kan je toch niet weten, joh.
W: Je hebt niets te verliezen, dus je kan die kans wagen. Het is de enige zekerheid die je daarna zult ontdekken. Neem dit van ons aan. Je zult in liefde ontvangen worden. Je zult je er altijd thuis voelen, met altijd bloemen om je heen. Altijd thuis.
E: (verbaasde uitroep) Ik zie m'n vader!
A: Zie je wel.
E: Ik zie m'n vader! Hoe kan dat nou! Hoe kan dàt nou!
W: Hij komt uit het licht en hij komt je halen.
E: Die heb ik zo vaak geroepen. Hij was alsmaar boos. Hij kwam niet.
W: Hij komt je nu halen.
E: Nee.
W: Hij komt je thuis brengen. Geef hem een hand.
E: Dat kan niet.
W: Wil je met je vader mee?
E: Ik weet het niet. Ik heb hem zo vaak geroepen en dan kwam hij niet.
W: Hij komt je nu halen. Geef hem maar een hand.
E: Straks gaat hij weer weg, joh.
W: Met jou.
E: Dan zit ik weer alleen en dan moet ik weer lang wachten.
C: Hij neemt je mee. Geef hem maar een hand.
B: Steek je hand eens uit naar hem.
E: Dat kan toch niet.
B: Natuurlijk wel.
W: Geef hem maar een hand.
B: Waarom zou dat niet kunnen.
E: Dat weet ik niet. (fluistert) maar als hij me dan loslaat?
W: Hij laat je nooit meer los.
E: Dan val ik naar beneden.
W: Nooit meer.
E: Dan val ik zo diep naar beneden en dan moet ik elke keer weer omhoog klimmen. Ik heb al zoveel geklommen. Ik heb van die moeie armen. Ik wil niet meer klimmen.
W: Hij blijft nu aan jouw hand en neemt jou mee naar het licht daar waar je altijd thuis zult zijn.
E: Ja, maar.
W: Neem die stap maar.
E: Ja, maar.
W: Niet meer "ja maar".
E: Ik, ik heb hem toch dood gemaakt.
W: Geeft niets, hij heeft liefde en hij komt je halen.
E: Ik heb hem, sstt, ik heb hem dood gemaakt.
W: Hij je komt uit liefde halen.
E: Dat is erg hoor, als je je eigen vader dood maakt.
W: Hij heeft het je vergeven en hij komt je halen. Hij komt.
E: Is hij dan niet boos op me?
W: Nee, hoor.
E: Maar dan ben je toch boos, als iemand je dood maakt ben je toch boos?
W: Nee, niet meer.
E: Oh, is, is .....
W: Is hij bij je?
E: Ik, ik kan hem wel zien.
W: Geef hem maar ..... Vraag eens of hij naar je toe komt.
E: (fluistert) Nee, als hij boos is ......
W: Hij is niet boos. Hij houdt alleen maar erg veel van je.
E: (fluistert) Dat kan toch niet als je iemand dood maakt kan je toch niet van hem houden? Dat is toch erg als je iemand zomaar dood maakt. Iemand die daar levend is en die je dan zomaar dood maakt, en dan nog wel m'n vader! Dat kan toch niet.
W: Luister. Hij roept je. Ga maar naar hem toe. Hij roept je en hij wil met je meegaan naar het licht, waar je altijd thuis zal zijn. Neem die stap.
E: (fluistert) Hij zegt Sjon, Sjon.
W: Ga naar hem toe.
E: Je moet niet boos worden, hoor.
W: Hij is niet boos.
E: Want dan ga ik niet.
W: Ik ben niet boos.
E: En, en heeft mijn vader een huis?
W: Jouw vader heeft een huis!
E: Mag ik dan bij m'n vader wonen?
W: Jij mag bij jouw vader wonen.
E: En hij gooit me d'r niet uit?
W: Nooit.
E: (boos) Als je toch liegt tegen me! Als je toch liegt! Denk erom hoor. Denk erom. Ik wil niet meer dat iemand liegt. Ik heb zelf zoveel gelogen, en het is niet eerlijk, weet je. Het is niet eerlijk. Je zegt wat tegen iemand. Dan doe je net of het waar is en dat is nièt zo. Dat is stom. Ik heb ervan geleerd. Ik heb heus wel nagedacht hoor. Al die, al die jaren, weet ik hoe lang, heb ik nagedacht hoor. Want het is fout. Je moet niet liegen. Dat is stom. Heb je alleen jezelf maar mee. Kom je in zo'n donkere kuil, waar je alsmaar klimmen moet en dan kom je d'r niet uit. Maar dat is m'n eigen schuld. Ik weet het wel.
W: En dat is nu achter de rug.
E: (fluistert) Ik weet wel dat het m'n eigen schuld is. Ik heb het zelf gedaan. Ik had niet moeten liegen en ik had hem zeker niet dood moeten maken. Oh, wat heb ik toch een spijt ervan dat ik m'n eigen vader dood heb gemaakt. Had ik het maar nooit gedaan (verdrietig).
W: En nu is hij hier om je liefde te geven. Ga naar hem toe. Geef hem een hand en loop mee naar het licht. Doe je het?
E: Zal, zal, zal ik het proberen?
W: Je zult er nooit spijt van krijgen.
E: Hij, hij zal mij toch niet dood maken?
W: Hij doet jou niets. Hij houdt alleen van jou.
E: Oh nee, dat kan niet meer, hè? Ik was al dood. Dat kan niet eens hè? Ik ben ... Ik geloof dat ik dood ben, hè?
W: Je hoeft niets te vrezen. Je kunt alleen maar liefde en licht verwachten.
E: Ik ben dood jongens! Ik, ik, ik ben ..... (fluistert) heb ik daarom nooit meer iemand gezien? M'n vrienden kon ik niet vinden.
B: Inderdaad.
W: En nu is papa er.
E: (diepe zucht)
W: Ga maar.
E: Ik kan niet meer rennen. M'n benen zijn te moe.
W: Ga maar langzaam lopen dan. Ga maar naar papa toe.
C: Geef hem maar een hand.
W: Ga maar naar het licht. Goed zo. Goed zo. Oké. Naar boven.