3: Kerkvader Gregorius
Er wordt van tevoren gewaarschuwd om op te letten.
G: Ik groet u in de naam van de Vader, de Zoon, de Moeder en de Heilige Geest, Amen. U allen bekend nietwaar. Gregorius. Goedenavond. Nog steeds bij elkaar?
Allen Ja.
G: Waarom?
W: Waarom niet?
G: Waarom?
D: Omdat we nog steeds leren van elkaar. En jij?
G: Ach ja.
D: Ook nog steeds een gemeente bij je.
G: Geleerd heb ik zeker wel.
D: Ja, wat heb jij zoal geleerd?
G: Ik moet zeggen dat jullie mij voor een gedeelte de ogen geopend hebben.
W: Dat is mooi.
S: Welk gedeelte?
G: Ja, ik zie nu waar ik ben en waar ik mee bezig ben.
D: Zie je dat echt.
G: Ja.
D: Waar ben je dan mee bezig?
G: En ik heb gemerkt dat het voor mij gemakkelijk is om ook anderen uit andere tijden tot mij te trekken. Was ik vroeger beperkt tot mijn eigen beleefwereld. Nee, de grenzen zijn verlegd. Ook in mij. Ik weet nu waar jullie mee bezig zijn.
D: Waar zijn wij mee bezig dan?
G: En wat jullie doen en met mijn waarschuwing van den vorige keer zat ik er niet helemaal naast. Jullie zijn in een bepaalde manier spiritisten, maar ook anders.
S: Doe jij niet precies hetzelfde als je mensen uit een andere tijd haalt?
G: Ik weet dat jullie werken met levenden en doden. Goed, inmiddels is mij bekend dat ik alleen maar werk met doden. Neemt niet weg dat ik mijn werk gewoon kan blijven doen. U ziet dat ik wel iets van u geleerd hebt.
C: Dat betekent ook dat u geleerd heeft dat u dus dood bent.
G: Ja, ja, ik kan daar niet mee zitten, zo direct.
C: De vorige keer anders wel.
G: Ja, ik zei u al, ook Gregorius heeft geleerd, dat heb ik toch meteen aan u toegegeven.
S: Ja, dat is waar.
G Ik schaam mij niet om te bekennen dat ook Gregorius leren kan van een sterfelijk mens.
S: Zou dat andere stukje, dat wij jou vertelt hebben, dan ook niet waar kunnen zijn? Of heb je daar nog niet zo over nagedacht?
G Ja, maar wat ik ermee?
D: Nou, wat zou je ermee kunnen, denk je?
G Wil ik daar iets mee kunnen.
D: Nou, het zou een mogelijkheid kunnen zijn.
S: Je hebt dat met het eerste stukje ook gedaan.
G Ik ben zeer tevreden over mijn manier van werken, zoals ik die nu ken.
W: Is datgene wat je nu meemaakt, Gregorius, ook datgene wat je verwacht had, toen je die overgang maakte of had je er een andere voorstelling van gemaakt.
G Ach, soms moet men zijn normen bijstellen, maar ik leer.
M: Maar moeten wij niet altijd onze normen bij blijven stellen?
G Jawel, natuurlijk en ik begrijp zeer wel dat mijn spraak, mijn manieren aangepast moeten worden aan den modernen tijd. En zoals u bemerkt, doe ik overduidelijk mijn best om mijn spraak aan te passen en niet alleen mijn spraak, sommige rituelen en andere zaken die tot den geloofskwestie behoren, heb ik in vrij korte tijd aardig aangepast. Ja, ik wil u daarvoor bedanken.
M: En het denken en het voelen, is dat inmiddels ook aangepast.
G: Gaat uitstekend. Dank u.
C: Met het voelen had u anders nogal wat problemen de vorige keer.
G: Fijn hè, dat u een mens ontmoet die leert.
D: Dat is heel plezierig.
M: Nou, niet zozeer voor ons, maar voor uzelf.
G Jazeker, ik ben er ook heel blij mee.
W: Ik hoop dat u zo doorgaat met leren.
G Ik doe mijn best.
W: Ik denk dat u nog een hele hoop kunt leren. U bent bij ons in ieder geval hartelijk welkom om een stap voorwaarts te maken.
G Ik heb een eeuwigheid de tijd.
Allen Wij ook. Lachen.
W: We komen u vast nog wel tegen.
G Ik denk het wel.
W: Vast.
G Bent u ook zo blij met al die tijd.
W: Ik ben op dit moment erg blij dat u vorderingen maakt.
G Dank u zeer, aangenaam.
D: Heb je nu ook geleerd waar die mensen naar toe gaan, die bij jou af en toe weggaan.
G Ach, zij gaan en komen, maar de meesten komen.
D: Ja, maar begrijp je ook waar ze naar toe gaan?
G Iedereen maakt zijn keuze.
D: Ja, maar begrijp je ook waar zij naar toe gaan?
M: Dat is een belangrijk stukje hoor!
G Dat moeten zij toch zelf weten. Dat interesseert mij niet.
D: Vind je dat niet jammer.
G Nee, men is of men is niet. En als men niet bij mij is, dan is men niet bij mij.
D: Nou, dat klopt.
G Simpel, maar waarheid.
D: Maar, ja, precies, vrij simpele gedachte. Maar je kan het ook iets genuanceerder zien natuurlijk hè.
G Zoals?
D: Nou, dat die mensen misschien iets verder groeien dan dat ze bij jou zijn. Dat ze op een heel ander niveau of andere plaats terecht komen, waar ze nog veel meer dingen kunnen leren. Heel andere inzichten kunnen krijgen.
G: Het zij zo. Ik geef eerlijk toe dat er een periode geweest is dat ik mij behoorlijk geërgerd heb aan het feit dat men zomaar vertrok, ja.
S: Zo te horen doe je dat nog steeds.
G Maar, die tijd ligt achter mij.
S: Ik geloof het niet helemaal.
D: Ik heb toch niet die indruk, Gregorius.
W: Gregorius, heb je ook het idee dat deze mensen doorgroeien?
G Het zij zo.
W: Zou jij door willen groeien?
G: Ik groei als een bloem. Ik voel mij alleen maar rijker, machtiger en sterker worden.
W: In jou wereld.
G: Ik ontdek mogelijkheden bij mijzelf die ik voor het gesprek met jullie niet vermoed had.
D: Maar vind je dat wel eerlijk eigenlijk, om zoveel macht te hebben over de mensen die om je heen rondlopen. Zeg eens eerlijk.
G: Eerlijkheid, wie eerlijkheid toekome. Bent u zo'n eerlijk mens?
D: Voor mijzelf wel.
G: Precies, ik ook.
M: Maar de mensen die bij u weg willen, dat respecteert u, die vrijheid?
G: Ik zal wel moeten hè. Ik heb geen keus.
W: Zou u die keus niet willen maken om door te groeien?
G: Nee.
S: Nog steeds niet.
G: Jammer hè.
T: Waarom is macht zo belangrijk? U zei: "Ik groei, ik heb macht en mogelijkheden." Waarom is die macht zo belangrijk? Wat is dat voor macht?
G: Ik noem u één woord. Controle. Kent u dat woord, ja?
S: Dat kent de kerk heel goed, ja, dat woord.
G: Ik spreek tegen die dame daar. Controle, u weet exact wat ik bedoel. Exact. Gregorius, weet wel iets.
D: Maar eigenlijk al die mensen, die om je heen rondlopen, kijken alleen maar naar jou en voor de rest niets anders. Maar er komt een tijd .......
G: Nu vergist u zich danig.
D: Waar kijken ze nog meer naar dan?
G: Ik ben toch niet alleen.
D: Nee?
G: Welnee.
D: Nee, je hebt een hele grote schare om je heen staan, die bij jou zijn, dat weet ik.
G: Zij die behoefte hebben om hun macht te vergroten, kunnen bij mij alle kanten uit. Niemand hoeft lijdzaam toe te zien, hoe anderen macht en controle hebben over zaken. Een ieder is bij mij in staat dezelfde hoeveelheid macht te verwerven. Democratisch, nietwaar.
S: Maar wel iets minder dan jij hebt, want je moet controle blijven houden, dus jij blijft altijd de machtigste.
G: Dat is uw manier van denken.
S: Nee, dat is jouw manier van handelen.
G: Dat is uw stoffelijke manier van denken. Zo van, één is de machtige en de rest is onderworpen, terwijl u vergeet dat in den geest de verbintenis gemaakt kan worden met allen om mij heen zodat ik niet alleen maar in naam van allen regeer.
S: Zie je wel. Je doet het weer. Je zegt het nou weer: "Ik."
G: Jij luistert niet.
S: Ik luister juist heel erg, denk ik.
G: Jij denkt vanuit jezelf. Als jij macht wil hebben, gebruik je je stem en je houding om te komen tot de uiting van die macht. Ik hoef niets te doen. Het is er. En dat is het verschil.
S: Je gebruikt je macht ook door je stem, want op het moment dat je iemand niet de kans wil geven om te praten, schreeuw je er gewoon overheen. Dat is ook macht. Je doet niet anders. Je doet precies die dingen, die wij hier spiegelen.
G :Wat zou je het graag willen weten hoe ik dat doe, hè.
S: Nee, nee. Want ik weet dat al die macht, die jij denkt te bezitten, niet genoeg is om al die mensen vast te houden. Ze blijven steeds weglopen.
G: Ik hou niet vast. Weet je wat jouw fout is?
S: Nou.
G: Jij denkt te weten te weten hoe en jij denkt te weten wat, maar jij weet nog niet dit. Je komt pas kijken.
S: Misschien.
G: Ik weet het zeker.
T: Maar zelf wil je ook niet doorgroeien.
G: Dat is mijn keus toch.
T: Ja.
G: Heb ik niet net gehoord dat keuzes gerespecteerd moeten worden.
M: Dat klopt, en ik denk dat dat ergens ook best mooi is. Er gaan heel veel mensen hier vandaan en er komen weer wat mensen, maar het blijft een tussenstation. En er zullen d'r steeds minder blijven hangen bij u, want er gaan er steeds meer door naar het licht.
G: We zullen zien. Op het moment (?blijven er meer dan er weggaan)
(onderbreking bandje)
En u denkt door dat soort gedachten uit te spreken dat uw eigen wensgedachten vervuld worden. Ooo, mensen ik lach mij inwendig ziek. Denkt u nou werkelijk dat ik zo dom ben om niet aanwezig te zijn, als u hier aanwezig bent. Ik geef toe, ik ben hier enkele malen tegen mijn zin heengebracht, maar ik heb, zoals ik u al zei, dat ik zeer veel van u leren kan en ik laat niet na, aanwezig te zijn en te leren.
M: Dat is prima. Daar zijn we alleen maar blij om.
G: Dus alles wat u nu zegt, blaas ik weg.
D: Nou, ik zou er toch even over nadenken als ik jou was.
G Dat doe ik zeker.
W:Dan komt er misschien nog een moment dat we kunnen praten zonder dat pauselijke sausje van u.
G: Heeft u daar moeite mee?
W: Nee, maar het vormt zo'n mooie dekmantel.
G: Heeft u zo'n moeite met gezag?
W: Uw gezag? Nee, u heeft geen gezag.
G: Ik ben blij dat u hier om lachen kunt, want u lacht om uzelf.
T: Ja, makkelijk gezegd. Heel makkelijk gezegd.
D: Nou, jij lachte net ons uit, dus mogen wij best ook wel even lachen natuurlijk.
G: Dat recht heeft u zeker.
D: Nou, daarom.
G: Maar toch, besef wat u ook zegt en wat u ook doet, Gregorius, leert van u.
M: Dat is ook precies de bedoeling.
D: Dat willen we nou graag. Dat is precies wat we willen.
G: Maar u wilt meer en dat is zo jammer hè, dat dat nou net niet lukt.
S: Iedereen in zijn eigen tempo. Jij ook.
C: Het is zo jammer, dat u dat niet wil.
D: Ieder klokje tikt op z'n eigen manier. Jouw klokje tikt zo. Prima.
G: Dat hebt u goed begrepen, alleen heb in een paar, nou, wat zal ik zeggen, jaren tijd enkele eeuwen overbrugd. Hebt u daar al kans toe gezien?
T: Vast wel.
G: Ik denk het niet.
D: Dan heb je in ieder geval een hoop geleerd in die korte tijd. Kan je nagaan wat je in al die jaren heb lopen ploeteren. Voor niks.
S: Je hebt nog een hoop eeuwen in te halen.
D: Ja.
G: Nee, voor niks, kan ik niet zeggen, nee. Alles wat ik gedaan hebt is vruchtbaar geweest.
W: Ik hoop dat uw aanwezigheid bij ons een positieve ontwikkeling heeft teweeg gebracht bij u.
G: En ik hoop dat mijn aanwezigheid bij u, u eens aan het nadenken brengt bij uzelf.
W: Ik wel.
G: Want u denkt zoveel te weten.
W: Ik zeg dat niet.
G: En met woorden schermen is inderdaad gemakkelijk, maar u vergeet één ding, ik zie meer dan dat u bij elkaar kunt waarnemen. Jammer hè.
W: Complimenten.
D: Prima, dan heb je tenminste goeie ogen.
W: Er staat in de bijbel: "Zalig zijn zij die niet zien en toch geloven."
G: U kent uw woorden goed.
W: Misschien heeft u er iets aan. Ik had verwacht dat u het ook geweten zou hebben, omdat u een kerkvader geweest was.
G :(Is stil) Ik heb mij zeer verheugd over deze ontmoeting en ik groet u in de naam van de Vader, de Zoon, de Moeder en de Heilige Geest. Het was mij een waar genoegen.
D: Ons ook.
G: Goedenavond.